Menu

6 tips digitaal onderwijs voor scholen.

05-01-2021 | Tijdens de coronacrisis zijn onderwijsinstellingen massaal overgestapt op digitaal thuisonderwijs. Maar “hoe doe je dat goed” binnen de AVG regelgeving, zijn onduidelijk of hebben onvoldoende aandacht.

Online (video)bellen en online proctoring (digitale surveillance) zijn bruikbare middelen gebleken om het onderwijs te laten doorgaan. De keerzijde is dat de inbreuk op de privacy groot kan zijn, vooral bij digitale surveillance. Dit was voor de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) reden om onderzoek te doen.

Het algemene beeld is dat onderwijsinstellingen waarde hechten aan het borgen van de privacy. Maar dat dit in de praktijk nog niet altijd goed is geregeld. Dit komt door de korte tijd waarin onderwijsinstellingen het afstandsonderwijs moesten organiseren.

Zorgen over privacy

Ouders, leerlingen, studenten en docenten hebben bij de AP hun zorgen geuit over de verwerking van persoonsgegevens in het afstandsonderwijs. Zij vragen zich bijvoorbeeld af of de systemen die scholen gebruiken om te videobellen wel veilig zijn. En of gegevens niet in verkeerde handen kunnen vallen. Het doel van het onderzoek van de AP is het doen van concrete aanbevelingen: over hoe scholen de privacy van hun leerlingen of studenten en personeel het beste kunnen beschermen, nu en in de toekomst.

Aanbevelingen

Hoewel het onderzoek zich richt op het afstandsonderwijs in het mbo, hbo en wo, zijn deze aanbevelingen ook relevant voor onderwijsinstellingen in het primair en voortgezet onderwijs:

  • Voor zowel online (video)bellen als online proctoring is van belang dat onderwijsinstellingen afspraken of richtlijnen opstellen voor het beschermen van de privacy. Dit om te voorkomen dat elke docent zelf moet bepalen hoe deze moet omgaan met de gegevens van leerlingen of studenten.
  • Bij online (video)bellen is het vooral belangrijk dat onderwijsinstellingen duidelijk beleid opstellen over welke applicaties mogen worden ingezet. Daarin moet zijn vastgelegd waarvoor de videobeelden mogen worden gebruikt.
  • Als het niet noodzakelijk is, moet de onderwijsinstelling ervoor zorgen dat er bij het maken van beeldopnamen van een digitale les geen leerlingen of studenten in beeld zijn.
  • Ook moet de onderwijsinstelling goede afspraken maken met de softwareleverancier, onder meer over de bewaartermijn van de beelden. Beelden mogen niet langer worden bewaard dan strikt noodzakelijk.
  • Bij digitale surveillance gebruiken onderwijsinstellingen software om toezicht te houden bij toetsen en tentamens die via de computer worden gemaakt. Een surveillant – of algoritme – kijkt dan online mee om te controleren of een leerling of student fraude pleegt.
  • Digitale surveillance heeft grote impact op de privacy van leerlingen en studenten. Zo mag digitale surveillance alleen worden ingezet als het echt noodzakelijk is. Dit betekent dat er geen alternatieve mogelijkheid is om een toets of tentamen af te nemen. Verder moet de privacy inbreuk bij digitale surveillance zo klein mogelijk zijn. En moeten leerlingen en studenten worden geïnformeerd over hun rechten.